Ik moet bekennen dat ik eigenlijk niet echt een poëzie-mens ben, waarmee ik niet gezegd heb dat ik niet poëtisch kan zijn. Niet dat ik een tegenstander ben van poëzie, maar het lokt mij minder, ik vind er gelijk mijn draai niet in.
De gedichten die ik ken, herinner ik me eigenlijk vooral uit de literatuurgeschiedenis tijdens de lessen Nederlands, lang geleden bij de ‘groentjes’.
Maar het is niet omdat ze al heel lang geleden geschreven werden, dat daar geen pareltjes tussen zaten.
Hier zijn er alvast twee die me steeds zijn bijgebleven (er zijn er nog, maar ik moet nog iets bewaren voor de volgende jaren, niet?)
O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.
(Jan Hendrik Leopold, 1865-1925)
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht –
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.
Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.
(Herman Gorter, 1864-1927)